Blog/50 Belangrijkste Onregelmatige Werkwoorden in het Engels: Complete Gids

Begin met echte Engelse woordenschat met Vocab

Gratis te downloaden. Leer sneller met spaced repetition, themalijsten en uitspraak van moedertaalsprekers - en houd vast wat je leert.

50 Belangrijkste Onregelmatige Werkwoorden in het Engels: Complete Gids

50 Belangrijkste Onregelmatige Werkwoorden in het Engels

Onregelmatige werkwoorden zorgen vaak voor moeilijkheden bij mensen die Engels leren. In dit artikel bespreken we de 50 belangrijkste onregelmatige werkwoorden die je moet kennen om vloeiend Engels te kunnen spreken. Elk werkwoord wordt gepresenteerd met zijn vormen en voorbeelden van gebruik in realistische situaties.

Wat zijn onregelmatige werkwoorden?

Onregelmatige werkwoorden (irregular verbs) zijn werkwoorden die niet de standaardregel volgen voor het vormen van de verleden tijd en het voltooid deelwoord door het toevoegen van de uitgang -ed. Hun vormen moeten apart worden onthouden.

50 belangrijkste onregelmatige werkwoorden met voorbeelden

  1. Be (was/were, been) - zijn
    • "I am happy today" / Ik ben vandaag blij
    • "She was at home yesterday" / Zij was gisteren thuis
  2. Have (had, had) - hebben
    • "I have two cats" / Ik heb twee katten
    • "They had a great time" / Ze hadden een geweldige tijd
  3. Do (did, done) - doen
    • "I do my homework every day" / Ik maak elke dag mijn huiswerk
    • "She has done her best" / Ze heeft haar best gedaan
  4. Say (said, said) - zeggen
    • "He says it's a great idea" / Hij zegt dat het een geweldig idee is
    • "She said she was busy" / Ze zei dat ze bezig was
  5. Go (went, gone) - gaan
    • "I go to school every morning" / Ik ga elke ochtend naar school
    • "They went to the cinema yesterday" / Ze gingen gisteren naar de bioscoop
  6. Get (got, got/gotten) - krijgen
    • "I get a lot of emails" / Ik krijg veel e-mails
    • "He got a new job last week" / Hij kreeg vorige week een nieuwe baan
  7. Make (made, made) - maken
    • "She makes delicious cakes" / Zij maakt heerlijke taarten
    • "I made a mistake" / Ik maakte een fout
  8. Know (knew, known) - weten, kennen
    • "I know the answer" / Ik weet het antwoord
    • "She knew him for years" / Ze kende hem al jaren
  9. Think (thought, thought) - denken
    • "I think it's a great idea" / Ik denk dat het een geweldig idee is
    • "He thought about it for a long time" / Hij dacht er lang over na
  10. Take (took, taken) - nemen
    • "I take my phone everywhere" / Ik neem mijn telefoon overal mee
    • "She took a taxi to the airport" / Ze nam een taxi naar het vliegveld
  11. See (saw, seen) - zien
    • "I see a bird outside" / Ik zie buiten een vogel
    • "He saw a movie last night" / Hij zag gisteravond een film
  12. Come (came, come) - komen
    • "He comes home late" / Hij komt laat thuis
    • "She came to the party" / Ze kwam naar het feest
  13. Give (gave, given) - geven
    • "I give you my word" / Ik geef je mijn woord
    • "He gave her flowers" / Hij gaf haar bloemen
  14. Find (found, found) - vinden
    • "I find this book interesting" / Ik vind dit boek interessant
    • "She found a wallet on the street" / Ze vond een portemonnee op straat
  15. Tell (told, told) - vertellen
    • "He tells funny jokes" / Hij vertelt grappige moppen
    • "She told me the truth" / Ze vertelde mij de waarheid
  16. Feel (felt, felt) - voelen
    • "I feel great today" / Ik voel me vandaag geweldig
    • "She felt sad yesterday" / Ze voelde zich gisteren verdrietig
  17. Leave (left, left) - vertrekken, verlaten
    • "I leave for work at 8 AM" / Ik vertrek om 8 uur naar werk
    • "They left early" / Ze vertrokken vroeg
  18. Put (put, put) - zetten, leggen
    • "I put my keys on the table" / Ik leg mijn sleutels op tafel
    • "He put his phone in his pocket" / Hij stopte zijn telefoon in zijn zak
  19. Bring (brought, brought) - brengen
    • "I bring my lunch to work" / Ik neem mijn lunch mee naar werk
    • "She brought a cake to the party" / Ze bracht een taart mee naar het feest
  20. Begin (began, begun) - beginnen
    • "The class begins at 9 AM" / De les begint om 9 uur
    • "He began his speech" / Hij begon zijn toespraak
  21. Show (showed, shown) - laten zien, tonen
    • "I show him my new phone" / Ik laat hem mijn nieuwe telefoon zien
    • "She showed me her photos" / Ze liet me haar foto's zien
  22. Run (ran, run) - rennen
    • "I run every morning" / Ik ren elke ochtend
    • "He ran to catch the bus" / Hij rende om de bus te halen
  23. Sit (sat, sat) - zitten
    • "She sits by the window" / Ze zit bij het raam
    • "We sat in the front row" / We zaten op de eerste rij
  24. Stand (stood, stood) - staan
    • "He stands near the door" / Hij staat bij de deur
    • "They stood in line for an hour" / Ze stonden een uur in de rij
  25. Lose (lost, lost) - verliezen
    • "I lose my keys often" / Ik verlies vaak mijn sleutels
    • "She lost her wallet" / Ze verloor haar portemonnee
  26. Pay (paid, paid) - betalen
    • "I pay for my coffee" / Ik betaal voor mijn koffie
    • "He paid for dinner" / Hij betaalde voor het diner
  27. Meet (met, met) - ontmoeten
    • "I meet new people at work" / Ik ontmoet nieuwe mensen op het werk
    • "They met last year" / Ze ontmoetten elkaar vorig jaar
  28. Speak (spoke, spoken) - spreken
    • "I speak English fluently" / Ik spreek vloeiend Engels
    • "She spoke to her boss" / Ze sprak met haar baas
  29. Understand (understood, understood) - begrijpen
    • "I understand the problem" / Ik begrijp het probleem
    • "He understood the joke" / Hij begreep de grap
  30. Buy (bought, bought) - kopen
    • "I buy fresh vegetables" / Ik koop verse groenten
    • "She bought a new dress" / Ze kocht een nieuwe jurk
  31. Win (won, won) - winnen
    • "They win every game" / Ze winnen elke wedstrijd
    • "He won a prize" / Hij won een prijs
  32. Teach (taught, taught) - lesgeven, onderwijzen
    • "She teaches math" / Zij geeft wiskundeles
    • "He taught me English" / Hij leerde mij Engels
  33. Break (broke, broken) - breken
    • "I break a glass" / Ik breek een glas
    • "He broke his phone" / Hij brak zijn telefoon
  34. Cut (cut, cut) - snijden
    • "I cut vegetables for salad" / Ik snijd groenten voor de salade
    • "She cut her hair" / Ze knipte haar haar
  35. Grow (grew, grown) - groeien
    • "Plants grow in sunlight" / Planten groeien in zonlicht
    • "He grew up in New York" / Hij groeide op in New York
  36. Hold (held, held) - vasthouden
    • "I hold my phone in my hand" / Ik houd mijn telefoon in mijn hand
    • "She held the baby carefully" / Ze hield de baby voorzichtig vast
  37. Drive (drove, driven) - rijden
    • "I drive to work every day" / Ik rijd elke dag naar werk
    • "He drove to the countryside last weekend" / Hij reed vorig weekend naar het platteland
  38. Wear (wore, worn) - dragen
    • "She wears a red dress" / Ze draagt een rode jurk
    • "He wore a suit to the meeting" / Hij droeg een pak naar de vergadering
  39. Send (sent, sent) - sturen
    • "I send emails every day" / Ik stuur elke dag e-mails
    • "She sent me a message" / Ze stuurde mij een bericht
  40. Build (built, built) - bouwen
    • "They build houses quickly" / Ze bouwen snel huizen
    • "He built a treehouse for his kids" / Hij bouwde een boomhut voor zijn kinderen
  41. Hear (heard, heard) - horen
    • "I hear music from the next room" / Ik hoor muziek uit de andere kamer
    • "She heard a strange noise" / Ze hoorde een vreemd geluid
  42. Draw (drew, drawn) - tekenen
    • "He draws amazing pictures" / Hij tekent geweldige plaatjes
    • "She drew a beautiful landscape" / Ze tekende een mooi landschap
  43. Catch (caught, caught) - vangen
    • "I catch the bus every morning" / Ik pak elke ochtend de bus
    • "He caught the ball easily" / Hij ving de bal gemakkelijk
  44. Choose (chose, chosen) - kiezen
    • "I choose the best option" / Ik kies de beste optie
    • "She chose a red dress" / Ze koos een rode jurk
  45. Sleep (slept, slept) - slapen
    • "I sleep for eight hours every night" / Ik slaap elke nacht acht uur
    • "She slept late on Sunday" / Ze sliep zondag uit
  46. Wake (woke, woken) - wakker worden
    • "I wake up at 7 AM" / Ik word om 7 uur wakker
    • "He woke up late" / Hij werd laat wakker
  47. Steal (stole, stolen) - stelen
    • "He steals candy from the jar" / Hij steelt snoep uit de pot
    • "Someone stole my wallet" / Iemand stal mijn portemonnee
  48. Sing (sang, sung) - zingen
    • "She sings beautifully" / Ze zingt mooi
    • "They sang a song together" / Ze zongen samen een lied
  49. Fall (fell, fallen) - vallen
    • "Leaves fall in autumn" / Bladeren vallen in de herfst
    • "He fell off his bike" / Hij viel van zijn fiets
  50. Swim (swam, swum) - zwemmen
    • "I swim every summer" / Ik zwem elke zomer
    • "She swam across the river" / Ze zwom de rivier over

Hoe onregelmatige werkwoorden effectief te leren

  1. Groepeer werkwoorden met vergelijkbare vormen
  2. Gebruik mnemonische technieken
  3. Oefen in context
  4. Herhaal regelmatig

Veelvoorkomende fouten bij het gebruik van onregelmatige werkwoorden

⚠️ Veelvoorkomende fouten zijn:
  • ❌ "I goed to school" / ✅ "I went to school" / Ik ging naar school
  • ❌ "She taked my pen" / ✅ "She took my pen" / Ze pakte mijn pen
  • ❌ "They speaked English" / ✅ "They spoke English" / Ze spraken Engels

Gedetailleerde video over het onderwerp

Nuttige bronnen

  • Vocab App - een uitstekende app voor het uitbreiden van je woordenschat
  • Gebruik flashcards om te onthouden
  • Oefen met moedertaalsprekers
💡 Tip: Regelmatige oefening is de sleutel tot het succesvol beheersen van onregelmatige werkwoorden. Probeer ze te gebruiken in je dagelijkse spraak en schrijven.
5 minuten

Test je Engelse woordenschat in 5 minuten

Ontdek je exacte woordenschatniveau met onze gratis test. Van basis tot geavanceerde woorden, krijg je A1-C2 score en zie hoeveel Engelse woorden je echt kent.