
Auteur: Vocab Team
Laatst bijgewerkt:
50 Engelse vragen en antwoorden voor natuurlijke gesprekken
Begin met echte Engelse woordenschat met Vocab
Gratis te downloaden. Leer sneller met spaced repetition, themalijsten en uitspraak van moedertaalsprekers - en houd vast wat je leert.
Zo gebruik je deze vragen in een gesprek
Met deze 50 Engelse vragen kun je een gesprek beginnen, reageren en vriendelijk om hulp vragen. Leer steeds een vraag samen met een mogelijk antwoord. Gebruik daarna een korte vervolgzin uit je eigen situatie: zo klinkt je reactie minder ingestudeerd.
De antwoorden hieronder zijn modellen, geen vaste scripts. Vervang bijvoorbeeld een plaats, beroep of plan door jouw eigen informatie.
Kennismaken en eerste contact
1. Naam vragen
-
"What's your name?"
Dit betekent: hoe heet je? Antwoord: "I'm Noor." (Ik ben Noor.) -
"Where are you from?"
Dit betekent: waar kom je vandaan? Antwoord: "I'm from the Netherlands." (Ik kom uit Nederland.) -
"Where do you live?"
Dit betekent: waar woon je? Antwoord: "I live in Rotterdam." (Ik woon in Rotterdam.) -
"What do you do?"
Dit vraag je naar werk of studie. Antwoord: "I'm a student." (Ik ben student.) -
"Have we met before?"
Dit betekent: hebben we elkaar eerder ontmoet? Antwoord: "I don't think so." (Volgens mij niet.)
Dagelijks contact en plannen
6. Hoe het gaat
-
"How are you?"
Dit betekent: hoe gaat het? Antwoord: "I'm good, thanks. How about you?" (Goed, dank je. En met jou?) -
"How's your day going?"
Dit betekent: hoe verloopt je dag? Antwoord: "It's going well, thanks." (Het gaat goed, dank je.) -
"How was your weekend?"
Dit betekent: hoe was je weekend? Antwoord: "It was relaxing." (Het was ontspannen.) -
"What are your plans for today?"
Dit betekent: wat zijn je plannen voor vandaag? Antwoord: "I'm meeting a friend later." (Ik spreek later met een vriend af.) -
"What do you like to do in your free time?"
Dit betekent: wat doe je graag in je vrije tijd? Antwoord: "I enjoy reading and cooking." (Ik lees en kook graag.)
Eten, drinken en voorkeuren
11. Eten kiezen
-
"What's your favorite food?"
Dit betekent: wat is je favoriete eten? Antwoord: "I really like pasta." (Ik houd erg van pasta.) -
"What would you like to drink?"
Dit betekent: wat wil je drinken? Antwoord: "I'd like some water, please." (Ik wil graag water, alstublieft.) -
"Are you hungry?"
Dit betekent: heb je honger? Antwoord: "A little. Shall we get something to eat?" (Een beetje. Zullen we iets gaan eten?) -
"What do you recommend?"
Dit vraag je in een restaurant om een aanbeveling. Antwoord: "The soup is very popular." (De soep is erg populair.) -
"Are there any vegetarian options?"
Dit betekent: zijn er vegetarische opties? Antwoord: "Yes, we have a vegetable curry." (Ja, we hebben groentecurry.)
Hobby's en small talk
16. Over interesses praten
-
"What kind of music do you like?"
Dit betekent: van welke muziek houd je? Antwoord: "I like jazz and pop music." (Ik houd van jazz en popmuziek.) -
"Have you seen any good movies recently?"
Dit betekent: heb je onlangs goede films gezien? Antwoord: "Yes, I saw a great comedy." (Ja, ik zag een geweldige komedie.) -
"Do you play any sports?"
Dit betekent: doe je aan sport? Antwoord: "Yes, I play tennis once a week." (Ja, ik tennis één keer per week.) -
"What are your hobbies?"
Dit betekent: wat zijn je hobby's? Antwoord: "I like photography and hiking." (Ik houd van fotografie en wandelen.) -
"Do you have any brothers or sisters?"
Dit betekent: heb je broers of zussen? Antwoord: "Yes, I have one older brother." (Ja, ik heb één oudere broer.)
Tijd, plaats en route
21. Onderweg
-
"What time is it?"
Dit betekent: hoe laat is het? Antwoord: "It's quarter past three." (Het is kwart over drie.) -
"Where is the nearest station?"
Dit betekent: waar is het dichtstbijzijnde station? Antwoord: "It's five minutes from here." (Het is vijf minuten hiervandaan.) -
"How can I get to the museum?"
Dit betekent: hoe kom ik bij het museum? Antwoord: "Go straight and turn left at the bank." (Ga rechtdoor en sla bij de bank linksaf.) -
"Is it far from here?"
Dit betekent: is het ver hiervandaan? Antwoord: "No, it's quite close." (Nee, het is behoorlijk dichtbij.) -
"Which bus goes to the city center?"
Dit betekent: welke bus gaat naar het centrum? Antwoord: "Take bus number six." (Neem bus nummer zes.)
Winkelen
26. In een winkel
-
"How much does it cost?"
Dit betekent: hoeveel kost het? Antwoord: "It costs twenty pounds." (Het kost twintig pond.) -
"Do you accept credit cards?"
Dit betekent: accepteren jullie creditcards? Antwoord: "Yes, you can pay by card." (Ja, je kunt met kaart betalen.) -
"Can I try this on?"
Dit betekent: kan ik dit passen? Antwoord: "Of course. The fitting room is over there." (Natuurlijk. Het pashokje is daar.) -
"Can I have a receipt, please?"
Dit betekent: mag ik een bonnetje, alstublieft? Antwoord: "Certainly. Here you are." (Natuurlijk. Alsjeblieft.) -
"Do you have this in a larger size?"
Dit betekent: hebben jullie dit in een grotere maat? Antwoord: "Let me check for you." (Ik zal het voor je nakijken.)
Werk en afspraken
31. Op kantoor
-
"When is the meeting?"
Dit betekent: wanneer is de vergadering? Antwoord: "It's at two o'clock." (Hij is om twee uur.) -
"What's the deadline?"
Dit betekent: wat is de deadline? Antwoord: "It's due on Friday." (Het moet vrijdag klaar zijn.) -
"Could you help me with this?"
Dit is een beleefde vraag om hulp. Antwoord: "Sure, what do you need?" (Natuurlijk, wat heb je nodig?) -
"Are you available tomorrow?"
Dit betekent: ben je morgen beschikbaar? Antwoord: "Yes, I'm free in the afternoon." (Ja, ik ben 's middags vrij.) -
"Could you send me an email?"
Dit betekent: zou je mij een e-mail kunnen sturen? Antwoord: "Yes, I'll send it this afternoon." (Ja, ik stuur hem vanmiddag.)
Reizen en verblijf
36. Op reis
-
"Where can I check in?"
Dit betekent: waar kan ik inchecken? Antwoord: "At the desk near the entrance." (Bij de balie bij de ingang.) -
"When does the flight depart?"
Dit betekent: wanneer vertrekt de vlucht? Antwoord: "It departs at nine thirty." (Hij vertrekt om half tien.) -
"Is this seat taken?"
Dit betekent: is deze stoel bezet? Antwoord: "No, it's free." (Nee, hij is vrij.) -
"Do you have any rooms available?"
Dit betekent: hebben jullie kamers beschikbaar? Antwoord: "Yes, we have a double room." (Ja, we hebben een tweepersoonskamer.) -
"What time is check-out?"
Dit betekent: hoe laat moet ik uitchecken? Antwoord: "Check-out is at eleven." (Uitchecken is om elf uur.)
Engels gebruiken in de klas
41. Begrijpen en verduidelijken
-
"Could you repeat that, please?"
Dit betekent: zou je dat kunnen herhalen, alstublieft? Antwoord: "Of course. I'll say it again." (Natuurlijk. Ik zeg het nog een keer.) -
"How do you spell that?"
Dit betekent: hoe spel je dat? Antwoord: "It's spelled M-A-R-I-A." (Je spelt het M-A-R-I-A.) -
"What does this word mean?"
Dit betekent: wat betekent dit woord? Antwoord: "It means the opposite of expensive." (Het betekent het tegenovergestelde van duur.) -
"When is the next test?"
Dit betekent: wanneer is de volgende toets? Antwoord: "It's next Tuesday." (Hij is volgende dinsdag.)
Hulp en problemen
45. Een portemonnee kwijt
-
"What should I do? I've lost my wallet."
Dit betekent: wat moet ik doen? Ik ben mijn portemonnee kwijt. Antwoord: "First, cancel your cards and contact the police." (Blokkeer eerst je kaarten en neem contact op met de politie.) -
"Where is the nearest hospital?"
Dit betekent: waar is het dichtstbijzijnde ziekenhuis? Antwoord: "It's around the corner." (Het is om de hoek.) -
"Can I use your phone, please?"
Dit betekent: mag ik je telefoon gebruiken, alstublieft? Antwoord: "Yes, of course. Here you are." (Ja, natuurlijk. Alsjeblieft.) -
"Can you call the police?"
Dit betekent: kun je de politie bellen? Antwoord: "Yes, I'll call them now." (Ja, ik bel ze nu.) -
"Is there an emergency number?"
Dit betekent: is er een alarmnummer? Antwoord: "Yes, call 112." (Ja, bel 112.)
Contact houden na een gesprek
50. De betekenis van keep in touch
- "Can we keep in touch?"
Dit betekent: kunnen we contact houden? Antwoord: "Yes, here's my number." (Ja, hier is mijn nummer.)
Keep in touch gebruik je wanneer je na een ontmoeting contact wilt blijven houden. Het betekent niet dat je elke dag moet berichten. Een minder formele reactie is "Let's stay in touch." (Laten we contact houden.)Veelgemaakte fouten
- Zeg "What's your name?", niet "How do you call yourself?". In het Engels vraag je naar iemands naam met
what. - Zeg "Where do you live?", niet "Where you live?". In een gewone vraag staat
dovoor het onderwerp. - Zeg "I'm twenty-five years old.", niet "I have twenty-five years.". Engels gebruikt
bebij leeftijd. - Zeg "I agree.", niet "I am agree.".
Agreeis hier een werkwoord en krijgt geenam.
Zo klinken je antwoorden natuurlijker
Een kort antwoord is correct, maar een vervolgzin houdt het gesprek gaande. Vergelijk:
- "I'm from the Netherlands." (Ik kom uit Nederland.)
- "I'm from the Netherlands, but I live in Belgium now." (Ik kom uit Nederland, maar ik woon nu in België.)
Stel daarna een vraag terug, bijvoorbeeld "How about you?" (En jij?) of "What about you?" (Hoe zit dat bij jou?).
Oefening
Maak van elk antwoord een volledige Engelse zin.
- Je heet Sam.
- Je woont in Utrecht.
- Je wilt water bestellen.
- De vergadering is om drie uur.
- Je wilt na een gesprek contact houden.
Antwoorden
- "I'm Sam."
- "I live in Utrecht."
- "I'd like some water, please."
- "The meeting is at three o'clock."
- "Can we keep in touch?"
Lees de vragen en antwoorden hardop in paren. Wissel daarna één detail, zoals je woonplaats of hobby, zodat je ze ook buiten deze voorbeelden kunt gebruiken.