Blog/Past Simple uitleg: regels, werkwoorden, vragen en ontkenningen
Past Simple uitleg: regels, werkwoorden, vragen en ontkenningen

Auteur: Vocab Team

Laatst bijgewerkt:

Past Simple uitleg: regels, werkwoorden, vragen en ontkenningen

Begin met echte Engelse woordenschat met Vocab

Gratis te downloaden. Leer sneller met spaced repetition, themalijsten en uitspraak van moedertaalsprekers - en houd vast wat je leert.

Past Simple: vertellen over een afgerond verleden

Met de Past Simple vertel je wat er op een afgerond moment in het verleden gebeurde. Na deze les kun je gewone zinnen, ontkenningen en vragen maken, ook met veelgebruikte onregelmatige werkwoorden.

Wanneer gebruik je de Past Simple?

Gebruik de Past Simple voor een actie, gebeurtenis of situatie die klaar is. Vaak noem je ook wanneer het gebeurde, maar dat hoeft niet altijd als de context duidelijk maakt dat het verleden bedoeld wordt.
  • I visited my grandmother last Sunday. Dit betekent: ik bezocht mijn oma afgelopen zondag.
  • We watched a film yesterday. Dit betekent: we keken gisteren een film.
  • She moved to Rotterdam in 2021. Dit betekent: zij verhuisde in 2021 naar Rotterdam.
  • He worked in a restaurant when he was a student. Dit betekent: hij werkte in een restaurant toen hij student was.
  • First, I cooked dinner. Then, I called my sister. Dit betekent: eerst kookte ik eten, daarna belde ik mijn zus. De Past Simple is ook handig om gebeurtenissen in een verhaal op volgorde te zetten.
Woorden die vaak bij deze tijd horen zijn yesterday (gisteren), last week (vorige week), two days ago (twee dagen geleden), in 2019 (in 2019) en when I was a child (toen ik een kind was).

Een gewone zin maken

Bij de meeste werkwoorden bestaat de verleden tijd uit de basisvorm met -ed. Dit zijn regelmatige werkwoorden.
  • I worked from home yesterday. Dit betekent: ik werkte gisteren thuis.
  • They played football after school. Dit betekent: zij speelden na school voetbal.
  • She cleaned her room. Dit betekent: zij maakte haar kamer schoon.
Bij onregelmatige werkwoorden verandert het werkwoord op een andere manier. Die vorm moet je leren.
  • I went to the market. Dit betekent: ik ging naar de markt.
  • He saw an old friend. Dit betekent: hij zag een oude vriend.
  • We ate breakfast early. Dit betekent: wij aten vroeg ontbijt.
Bij een gewone positieve zin gebruik je dus de verleden tijd van het hoofdwerkwoord. Gebruik niet ook nog did in dezelfde zin. She went home is goed. She did went home is niet goed.

Regelmatige werkwoorden: spelling van -ed

Meestal voeg je gewoon -ed toe.
  • work - worked: werken - werkte.
  • ask - asked: vragen - vroeg.
  • play - played: spelen - speelde.
Er zijn een paar veelvoorkomende spellingregels.

Werkwoorden die eindigen op -e

Voeg alleen -d toe.
  • live - lived: wonen - woonde.
  • My aunt lived in Utrecht. Dit betekent: mijn tante woonde in Utrecht.

Werkwoorden die eindigen op medeklinker plus y

Verander de y in i en voeg -ed toe.
  • study - studied: studeren - studeerde.
  • carry - carried: dragen - droeg.
  • He studied for the test. Dit betekent: hij leerde voor de toets.
Bij een klinker plus y blijft de y staan.
  • play - played: spelen - speelde.
  • We played outside. Dit betekent: wij speelden buiten.

Korte werkwoorden zoals stop

Bij veel korte, beklemtoonde werkwoorden met een patroon van medeklinker, klinker, medeklinker verdubbel je de laatste medeklinker.
  • stop - stopped: stoppen - stopte.
  • plan - planned: plannen - plande.
  • The bus stopped suddenly. Dit betekent: de bus stopte plotseling.

Belangrijke onregelmatige werkwoorden

Leer eerst werkwoorden die je vaak nodig hebt. De eerste vorm is de basisvorm; de tweede vorm gebruik je in een gewone zin in de Past Simple.
  • be - was/were: zijn - was/waren.
  • go - went: gaan - ging.
  • do - did: doen - deed.
  • have - had: hebben - had.
  • make - made: maken - maakte.
  • get - got: krijgen of worden - kreeg of werd.
  • say - said: zeggen - zei.
  • see - saw: zien - zag.
  • take - took: nemen - nam.
  • come - came: komen - kwam.
  • find - found: vinden - vond.
  • give - gave: geven - gaf.
  • know - knew: weten - wist.
  • think - thought: denken - dacht.
  • buy - bought: kopen - kocht.
  • write - wrote: schrijven - schreef.
Voorbeelden met deze werkwoorden:
  • I bought a new jacket last month. Dit betekent: ik kocht vorige maand een nieuwe jas.
  • She wrote a long email. Dit betekent: zij schreef een lange e-mail.
  • They found their keys under the sofa. Dit betekent: zij vonden hun sleutels onder de bank.

Ontkenningen met didn't

Voor ontkenningen gebruik je didn't, de korte vorm van did not. Daarna staat altijd de basisvorm van het werkwoord, dus niet de verleden tijd. Didn't draagt al de verleden betekenis.
  • I didn't work yesterday. Dit betekent: ik werkte gisteren niet.
  • She didn't buy the ticket. Dit betekent: zij kocht het kaartje niet.
  • We didn't see the message. Dit betekent: wij zagen het bericht niet.
Let goed op dit verschil:
  • Niet: He didn't went to school. Hier staan twee verleden vormen in één werkwoordgroep.
  • Wel: He didn't go to school. Dit betekent: hij ging niet naar school. Na didn't staat go, niet went.

Vragen met Did

Voor de meeste werkwoorden begint een vraag in de Past Simple met Did. Daarna komt het onderwerp en vervolgens de basisvorm.
  • Did you call your mother? Dit betekent: belde je je moeder?
  • Did they arrive on time? Dit betekent: kwamen zij op tijd aan?
  • Did he finish his homework? Dit betekent: maakte hij zijn huiswerk af?
Ook hier gebruik je na Did geen verleden vorm.
  • Niet: Did you saw that film?
  • Wel: Did you see that film? Dit betekent: heb je die film gezien?
Korte antwoorden gebruiken ook did.
  • Did you enjoy the concert? Dit betekent: vond je het concert leuk?
  • Yes, I did. Dit betekent: ja, dat vond ik.
  • No, I didn't. Dit betekent: nee, dat vond ik niet.

Het speciale werkwoord be: was en were

Het werkwoord be werkt anders. Gebruik hierbij geen did.
Gebruik was bij I, he, she en it.
  • I was tired after work. Dit betekent: ik was moe na het werk.
  • She was at home last night. Dit betekent: zij was gisteravond thuis.
Gebruik were bij you, we en they.
  • You were very helpful. Dit betekent: je was erg behulpzaam.
  • They were late for the train. Dit betekent: zij waren te laat voor de trein.
Voor een ontkenning gebruik je wasn't of weren't.
  • I wasn't hungry. Dit betekent: ik had geen honger.
  • We weren't ready. Dit betekent: wij waren niet klaar.
Voor een vraag zet je was of were vooraan.
  • Was he ill yesterday? Dit betekent: was hij gisteren ziek?
  • Were they at the meeting? Dit betekent: waren zij bij de vergadering?
Niet: Did you were at home? Wel: Were you at home? Dit betekent: was je thuis?

Past Simple of Present Perfect?

Kies de Past Simple als je een afgesloten tijd noemt of bedoelt. Bij yesterday, last year en een jaartal gebruik je dus de Past Simple.
  • I visited Paris in 2022. Dit betekent: ik bezocht Parijs in 2022. Het moment is duidelijk afgesloten.
  • I have visited Paris. Dit betekent: ik heb Parijs bezocht. Hier vertel je over een ervaring zonder te zeggen wanneer.
Niet: I have visited Paris yesterday. Wel: I visited Paris yesterday. Dit betekent: ik bezocht Parijs gisteren.

Oefening: kies de juiste vorm

Vul de ontbrekende vorm in. Lees eerst de Nederlandse betekenis, zodat je weet wat de hele zin zegt.
  1. Yesterday, I ___ to the library. (go) Dit betekent: gisteren ging ik naar de bibliotheek.
  2. Mila ___ her homework last night. (finish) Dit betekent: Mila maakte haar huiswerk gisteravond af.
  3. We didn't ___ dinner at home. (eat) Dit betekent: wij aten niet thuis.
  4. ___ you ___ the email? (send) Dit betekent: heb je de e-mail verstuurd?
  5. My brother ___ a new bike last month. (buy) Dit betekent: mijn broer kocht vorige maand een nieuwe fiets.
  6. They ___ not happy about the news. (be) Dit betekent: zij waren niet blij met het nieuws.
  7. ___ she at work yesterday? (be) Dit betekent: was zij gisteren op haar werk?
  8. Maak deze zin ontkennend: He played tennis on Saturday. Dit betekent: hij speelde zaterdag tennis.

Antwoorden

  1. Yesterday, I went to the library. Dit betekent: gisteren ging ik naar de bibliotheek. Go is onregelmatig, dus het wordt went.
  2. Mila finished her homework last night. Dit betekent: Mila maakte haar huiswerk gisteravond af. Finish is regelmatig, dus je voegt -ed toe.
  3. We didn't eat dinner at home. Dit betekent: wij aten niet thuis. Na didn't staat de basisvorm eat.
  4. Did you send the email? Dit betekent: heb je de e-mail verstuurd? Na Did staat de basisvorm send.
  5. My brother bought a new bike last month. Dit betekent: mijn broer kocht vorige maand een nieuwe fiets. Buy wordt bought.
  6. They were not happy about the news. Dit betekent: zij waren niet blij met het nieuws. Bij be gebruik je were, niet didn't.
  7. Was she at work yesterday? Dit betekent: was zij gisteren op haar werk? Een vraag met be begint met was of were.
  8. He didn't play tennis on Saturday. Dit betekent: hij speelde zaterdag geen tennis. Na didn't verandert played terug in de basisvorm play.
Onthoud vooral deze drie regels: gebruik de verleden vorm in een gewone zin, gebruik de basisvorm na did of didn't, en gebruik bij be altijd was of were zonder did. Daarmee kun je al veel verhalen over het verleden maken.